In dit blog wil ik jullie meenemen tijdens een sessie dramatherapie, waarin duidelijk te lezen is met welke kleine gegevens je al in rollenspel komt. Een mooi improvisatiespel. In dramatherapie noemen we dit ‘dramatic play’. 

Cliëntje (8 jaar), ik noem haar Minka, komt weer voor het eerst na de zomervakantie naar de therapie. Al bij het ophalen in de wachtkamer zie ik dat ze moe is. Ze oogt wit en stapt niet zo enthousiast uit haar stoel als ik van haar gewend ben.

Binnen beginnen we met een spelletje aan tafel. Even weer aan elkaar wennen. Minka geeft al aan dat ik ga verliezen, want in memory is ze goed! En inderdaad..ik verlies glansrijk.

Dan gaan we toch echt aan de slag met een oefening die past binnen de leerdoelen. Maar Minka heeft echt geen zin, kan haar aandacht er niet bijhouden en blijft noemen dat ze zo moe is. Ik gooi de opdracht overboord en bedenk een bewegingsopdracht. Bewegen kan energie opleveren namelijk. De opdracht is dat we achter elkaar aan kris kras door de ruimte lopen. De voorste bedenkt een beweging erbij, de achterste doet dit na. En daarna wisselt het om. Minka vindt het niet moeilijk om bewegingen te bedenken, dus al vlug huppelen, springen en rennen we achter elkaar aan. Tot ook dit saai is, aldus Minka.

Ik besluit een vaardigheid uit de dramatherapeutische methode “developmental transformation’ (David Read Johnson) in te zetten: Laten bestaan wat er speelt bij de cliënt en dit uitvergroten en ermee spelen. Dus als Minka weer noemt dat ze het saai vindt, gooi ik mijn armen in de lucht en roep met een diepe zucht: “dit is zoooo saai!” Minka kijkt me verwonderd aan. Meen ik dat nu? Als ik mijn zin en beweging nog eens herhaal, klaart Minka op en gaat ze mee doen.

“Wat is dit saaaaai! Zooooo saaaaai! Ik wil dit niet. Ik wil naar huis, slapen! Of nee, tv kijken! Of spelen! Dit is stom!” Samen vergroten we met veel gevoel voor drama de weerstand voor de therapie uit. Er ontstaat lol en ontspanning en verbinding.

Als Minka al haar weerstand heeft uitgestort en we het niet meer groter kunnen maken, bedenkt ze dat we wel voor dood kunnen neervallen. Eerst gaat zij, daarna ik. Daar liggen we, als twee ‘lijken’ die samen overleggen wie het mooiste dood ging. Nu weet ik dat veel volwassenen het lastig vinden als kinderen het woord dood in de mond nemen, omdat we het als volwassenen een zwaar en beladen onderwerp vinden. Voor kinderen geldt dit doorgaans niet en is dood niets anders dan een manier om te uiten dat iets moet stoppen. Die beladenheid die wij erbij voelen hebben zij nog niet. Dus een wedstrijdje doodgaan is geen zorgelijk spel.

Minka kan geen winnaar kiezen en wil de wedstrijd nog es spelen. Dus hop…we herrijzen binnen twee seconden uit de dood en gaan de wedstrijd opnieuw aan. Minka kiest voor een snelle en effectieve dood. Ik hou wel van een beetje dramatiek en maak allerlei stikkende en klokkende geluiden terwijl ik langzaam ter aarde stort. Daar liggen we weer… Minka vond haar dood beter dan de mijne. Terecht, veel realistischer.

We blijven liggen op de grond en ik trommel wat met mijn vingers op het tapijt. Minka volgt me en geeft een tegen- ritme. Onze wijsvingers transformeren tot onduidelijke figuurtjes die samen in gesprek raken tot de klok helaas aanwijst dat de tijd erop zit.

Tenminste…ik vind het helaas. Hoewel Minka uiteindelijk echt plezier beleefde ( dit maak ik vooral op uit wat ze aan haar moeder vertelt en laat zien) is ze toch blij dat ze naar huis mag.

Volgende week een nieuwe sessie.

Social Share Buttons and Icons powered by Ultimatelysocial